“En waar gaat je thesis dan over?” Wel, over vijf mannen. De een heeft me al wat meer te bieden dan de andere, maar ze zijn o zo complementair en doen meestal wat ik vraag. Ze hebben wel allemaal hun kleine kantjes, maar die neem ik er gaarne bij.

KLAUS UHLTZSCHT – de antiheld uit Thomas Brussigs Helden wie wir (1995)

Een jongeman wiens belang in de wereldgeschiedenis velen nog niet kennen. Het was niet de persconferentie van Günter Schabowski die er onrechtstreeks voor zorgde dat de Muur openging, neen, het was de verdienste van Klaus’ reuzegrote piemel [en nu ga ik weer rare search entries binnenkrijgen]. De bewakers waren zo verbaasd toen hij z’n potloodventersjas opentrok, dat ze de grens uit ontzag voor dat gevaarte openden.

Helden wie wir

ALEXANDER PORTNOY – “the most unforgettable character I’ve met” uit Philip Roths Portnoy’s Complaint (1969)

Deze drieëndertigjarige linkse rakker ligt serieus overhoop met zichzelf, zijn constant controlerende ouders, zijn overactieve piemel, zijn oerdomme vriendin die hij heel respectvol “The Monkey” noemt en vooral ‘zijn’ joodse geloof – “Enough being a nice Jewish boy, publicly pleasing my parents while privately pulling my putz! Enough!” Hij was een grote bron van inspiratie voor de seksuele strapatsen van onze vriend Klaus.

Portnoy's Complaint

OSKAR MATZERATH – de dwerg uit Danzig wiens lengte omgekeerd evenredig is met de lengte van zijn pseudo-autobiografie van 779 pagina’s in de vorm van Günter Grass’ Die Blechtrommel (1959)

Nja, dit complexe ventje heeft het allemaal: op z’n derde weigert hij eenvoudigweg nog verder te groeien, gooit hij zichzelf van de trap, bezorgt daarmee zijn vader (of tenminste, een van de twee potentiële vaders, er is namelijk nog de neef van z’n moeder, die evengoed Oskars biologische vader kan zijn) de eeuwige schuld, is verantwoordelijk voor de dood van z’n mama en die twee vaders, papt aan met zijn stiefmoeder, heeft een ongezonde fascinatie voor verpleegsters en trommelt ondertussen als een zot. Ahja, want op het ‘Moment des Erzählens’ verblijft hij dan ook in een gekkenhuis. Vraagt iemand zich nog af waarom? Klaus Uhltzscht is een grote fan van zijn groteske daden en persoontje an sich, en de kritiek die hij daarmee levert.

Die Blechtrommel

ANTON GLIENICKE – de eeuwige twijfelaar, die gehuld gaat in pastelkleuren in plaats van in stralende primaire kleuren, uit Thomas Brussigs Wasserfarben (1991)

Deze jongen staat aan het begin van een nieuw leven, en wil het allemaal wel, maar kan het om verschillende redenen gewoon niet – het DDR-systeem dwarsboomt zijn plannen, en dan doet hij nog liever niets dan dat hij zichzelf naar de normen van het systeem plooit. Zal deze minder stoere maar seksueel véél gezondere (lees: niet perverse) geestelijke broer van Klaus erin slagen om zich vrij te vechten?

Wasserfarben

MICHAEL KUPPISCH – de Zoni van de Sonnenallee, uit Thomas Brussigs Am kürzeren Ende der Sonnenallee (1999)

‘t Is een hard leven als je net langs de verkeerde kant van de straat woont, waar platen van de Rolling Stones niet te verkrijgen zijn, je uitgelachen wordt door de Wessis en het woord “uncool” nog niet bestaat. De eeuwige romantische ziel Mischa kan erover meespreken, maar hij geeft zich niet gewonnen – “Ras, dwa, tri – Russen wer’n wir nie!” Ook deze broer van Klaus toont ons een volledig andere kijk op de DDR, eentje die dit keer doorspekt is met ostalgie.

Am kürzeren Ende der Sonnenallee



One Response to “De mannen van mijn leven”  

  1. Ik heb het waarschijnlijk al gezegd, maar ze leren ons altijd dat herhaling ervoor zorgt dat je boodschap echt blijft hangen enal, dus bij deze: het onderwerp lijkt mij gigantisch veel werk maar écht iets voor jou :D
    De oversekste man ontleden, tis een specialiteit zoals een andere he!


Leave a Reply